Schrik bij de Katholieke Kring in 1918

Eind 1918 verliest de deftige Bredase sociëteit de Katholieke Kring twee belangrijke leden. Op 14 november 1918 overlijdt  Willem Bogaardt, tweede kamerlid namens de katholieken. Als voorzitter (president) van de Katholieke Kring heeft hij binnen de stad een goed ontwikkeld netwerk en veel mensen kennen hem.

edewaal.me-w-h-bogaardt-2e-kamer-1912-crop

Willem Boogaardt, lid van de Tweede Kamer en president van de Katholieke Kring te Breda. Slachtoffer van de Spaanse griep in 1918.

In dezelfde maand overlijdt ook zeer onverwacht de heer Van Agt, een jonge docent geschiedenis aan de HBS. Van Agt is pas 27 jaar oud. De schrik moet er in Breda goed hebben ingezeten dat een besmettelijke ziekte zo snel om zich heen grijpt in alle lagen van de bevolking. Breda wordt in de maanden november en december van het het jaar 1918 namelijk bezocht door de Spaanse griep. Omdat nu de schrik voor het Coronavirus er goed inzit, is het goed eens terug te kijken naar een eerdere ziekte epidemieën die stad en omgeving treffen.

Cholera en pest

Het is zeker niet de eerste keer dat Breda door een epidemie werd getroffen. Aan het einde van de middeleeuwen treft de pest de stad regelmatig tussen 1382 en 1535. Er ontstaan dan sterftepieken die duiden op 10% slachtoffers onder de bevolking.  Tot het eind van de zeventiende eeuw blijft deze ziekte terugkeren in de stad en de omringende dorpen. Is de pest aanvankelijk een ziekte die alle burgers kan treffen, dan wordt de ziekte na de middeleeuwen meer iets voor de sociale onderlaag. Welgestelde burgers kunnen de stad ontvluchten in de warme zomers en hun huizen zijn beter beschermd tegen ratten en hun vlooien. Deze vlooien zijn de echte verspreiders van de pest.

In het jaar 1535 vaardigt het gemeentebestuur een ordonnantie uit tegen de verspreiding van de pest. Door isolatie en betere hygiëne proberen de bestuurders de ziekte te bedwingen. Een huis met een zieke mocht bijvoorbeeld 6 weken lang niet bezocht worden en tegen de gevel van het huis komt een bundel stro. Slagers mochten bloed niet zo maar op straat laten lopen en burgers mogen niet langer vuilnishopen hebben voor hun huis. Dit soort maatregelen helpen natuurlijk ook.

In de negentiende eeuw krijgt de stad, en dan vooral de armere buurten, last van cholera. Een ziekte die nu wordt geassocieerd met ontwikkelingslanden. In 1866 is er een heel heftige epidemie. Begin juli van het jaar 1866 brengt een meisje de ziekte mee uit Rotterdam, waar al cholera heerst. Terug thuis in de Akkerstraat overlijdt ze binnen drie dagen. De ziekte zou blijven rondgaan tot 20 september 1866 en 139 mensen zouden komen te overlijden. In totaal worden 186 personen ziek. De ziekte treft vooral de arme wijken aan de westkant van de stad: Gampel, Antwerpse Barakken en Gasthuisvelden.

De gemeente richt een gezondheidscommissie op in deze periode om de tot oplossingen te komen. Stadsgeneesheer Petrus van Mierlo speelt hierbij een belangrijke rol. De commissie gaat riolen en privaten (toiletten) desinfecteren met carbolzuur. Er komt een lijkenhuis tussen de vestingwerken. Zieken worden aangespoord en geholpen meer vlees te eten. Want ze aten volgens de inzichten van die tijd te eenzijdig alleen groente, brood en aardappelen. Aangetaste huizen worden ook gedesinfecteerd. Als andere oorzaken worden gezien het drankmisbruik en de slechte staat van de huizen. Vijftig jaar jaar later zouden in deze buurten ook de eerste sociale woningen worden gebouwd door de eerste woningbouwverenigingen.

Spaanse griep

Is Willem Bogaardt de laatste paar jaar van zijn leven al ziek en geeft de Spaanse Griep hem waarschijnlijk alleen het laatste duwtje, dan is de jonge docent Van Agt eerst helemaal gezond en is zijn overlijden volkomen onverwacht. Van Agt is tot kort voor zijn dood erg actief binnen de Katholieke Kring. Hij zit in de jury van een landelijke voordrachtwedstrijd en samen met monseigneur Frencken staat hij aan de basis van de terugkeer van de Stille Omgang van het H. Sacrament. Kortom een persoon waar katholiek Breda grote verwachtingen van heeft.

Tijdens WO I ligt het sterftecijfer in Groot Breda (inclusief Princenhage, Teteringen en Ginneken) al hoger. Ligt het de sterftecijfer in de twee jaar voor het uitbreken van de oorlog rond de 800, dan schiet het cijfer omhoog tot ver boven de 900. In 1917, het jaar voor de Spaanse griep, overlijden zelfs 1102 inwoners van Breda en de later geannexeerde gemeenten. Het sterftecijfer in Breda, Ginneken en Princenhage schiet omhoog eind 1918 naar 1175. Na de oorlog daalt het percentage overlijdens weer naar de 800 terug.  Het sterftecijfer ligt dus in 1918 40-50% hoger. Breda krijgt het toch al voor zijn kiezen in deze periode. In oktober-november 1918 komt er namelijk een tweede vluchtelingenstroom de stad binnen door het oprukken van de geallieerde troepen door het instorten van het Duitse leger.  In de stad zaten toen nog 4000 tot 5000 Belgische vluichtelingen al sinds 1914. Verder zit de stad vol met soldaten die de grenzen extra in de gaten moeten houden. Deze soldaten worden er van verdacht de Spaanse griep in Breda te brengen en te verspreiden. Het gemeenteraadslid Kanters vraagt daarom aan het gemeentebestuur de verplichte inkwartiering van soldaten bij burgers te stoppen.

Discussie over de cijfers

In het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (1919, p. 1785-1787) is een overzicht te vinden met statistische cijfers van de sterfte aan de Spaansche griep. Het tijdschrift baseert de cijfers weer op de Staatscourant van 5 maart 1919. De Staatscourant krijgt de cijfers weer van het CBS.  De cijfers verzameld door het CBS voor alle grotere Nederlandse gemeentes, dus ook Breda, benadrukken dat in 1918 vooral november de piekmaand is. Sterven er in oktober minder dan 4 Bredanaars per 1000 aan de griep, dan loopt dat op naar 33,5 per 1000 in november, om in december weer te dalen naar 4,91 overlijdens. De maanden in 1919 daarna blijft het laag. Als dat percentage van 33,5 klopt zouden in de stad Breda (zonder de omringende gemeentes) in november 2018 bijna 1000 van de 30.000 Bredanaars zijn overleden (33 x 30=990) aan de Spaanse griep. Dit is echter niet in lijn met met mijn eigen cijfers op basis van overlijdens geregistreerd bij de Burgerlijke Stand van Breda. Voor de stad Breda zelf kom ik uit op ongeveer 250 extra overlijdens in 1918. Mogelijke oorzaken van de verschillende cijfers: bij de cijfers van het CBS worden alle griep- en longaandoeningen bij elkaar opgeteld. Het is dus niet altijd zeker de Spaanse griep (testkits zijn er nog niet). Verder kan het zijn dat ook overlijdens onder de 5000 Belgische vluchtelingen zijn meegeteld en die onder het garnizoen. Vluchtelingen en soldaten zijn niet ingeschreven bij de Bredase Burgerlijke Stand en vallen buiten het zicht van de gemeentelijke administratie.

Ik hou het er op dat de sterfte in Groot Breda in november 1918 het grootste was. In de stad Breda sterven in die maand 151 personen, waar rond de 40-50 normaal is in een maand. In Groot Breda overlijden er in november 261 Bredanaars, waar normaal in een maand tussen de 80-90 personen overlijden. Ten opzichte van de drie jaar er voor gaat de sterfte echter niet dramatisch omhoog in 1918: ca 20%.  Ook in in een artikel in het tijdschrift Gewina komen de auteurs uit op een dergelijke stijging voor Breda. Ten opzichte van de jaren na de oorlog gaat de sterfte met 40% omhoog. Waarschijnlijk was de burgerij toch angstig, omdat deze griep een sterke piek heeft in november 1918 en dat geeft natuurlijk een schrikeffect. Verder doet deze variant op de griep in Breda ook geachte burgers omvallen en sterven. Bleef de cholera vooral beperkt tot de arbeiderswijken, dan hield de Spaanse griep zich niet helemaal aan deze sociale grenzen.

Garnizoen aan de griep

Helemaal ongelijk met zijn verdenking richting het garnizoen heeft Bredase gemeenteraadslid Kanters niet, want de eerste gevallen van deze griep in Breda worden gemeld bij soldaten. Begin augustus 1918 meldt de Tilburgsche Courant dat er al 100 soldaten zijn besmet in Breda. Drie soldaten zijn er overleden aan de complicaties van de griep en sterven door een longontsteking. Eerst treft de epidemie de infanterie (Kloosterkazerne) en een paar dagen later de artillerie (Seeligkazerne). Het is dan nog onduidelijk hoe de ziekte zich verspreidt. De Tilburgse journalist sluit verspreiding door de lucht uit, omdat dan alle soldaten in één keer ziek zouden zijn geworden. Dienstplichtige soldaten slapen in die tijd op grote slaapzalen, wat maakt dat de ziekte zich snel kan verspreiden.

De Spaanse griep golft vanuit de kazernes over de stad aan het einde van 1918. Ook de Bredase scholen worden getroffen. Aan het eind van 1918 houden ouders hun kinderen thuis uit angst voor besmetting. Er komt zelfs een aanvraag binnen bij het gemeentebestuur om de het gymnasium te sluiten. De artsen in de stad vinden dit echter onnodig.

De Bredase middenstand springt handig in op de angst voor de onbekende, nieuwe ziekte. De Bredase drogisten prijzen in de Bredasche Courant van 9 november 1918 Anga-siroop aan voor de bestrijding van hoest en verkoudheid. Want met de Spaanse griep in de buurt moeten deze aandoeningen niet worden verwaarloosd.

Na 1918 blijft de Spaanse griep terugkomen in de stad en de omliggende gemeentes, maar veel minder ernstig. In 1922 wordt er  al opgemerkt dat het schoolverzuim veel lager is. De oorzaak voor de daling legt men bij het milder worden van de Spaanse Griep.

Uiteindelijk sterven er in Nederland 40.000 tot 60.000 mensen aan deze griep. Wereldwijd overlijden er minimaal 20 miljoen mensen aan de gevolgen van de Spaanse griep. Eind 1919 is de epidemie al weer verdwenen in Europa. De bevolking heeft anti-stoffen ontwikkeld en de ziekte is een gewone griep geworden.

Frans Gooskens

Bronnen

Jaarboeken de Oranjeboom.

Duijghuizen, Geschiedenis van Breda (1990) deel IV.

Website Stadsarchief Breda: Notulen gemeenteraad en Genealogische bronnen.

Stadsarchief Breda, Archief Katholieke Kring, Notulenboek.

Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (1919), p. 1785-1787

Gewina 24 (2001) p. 18-32.

Bijlage: Sterftecijfers Breda, Ginneken en Princenhage 1913-1924

Deze bijlage geeft alle sterftes in de genoemde jaren, dus ook aan andere doodsoorzaken als de Spaanse griep

Exclusief militairen (niet ingeschreven in bevolkingsregister). Breda heeft in 1920 30.000 inwoners. De agglomeratie Breda/Breda Groot (met Ginneken, Teteringen en Princenhage heeft 55.000 inwoners). (Duijghuizen, Gesch. Breda deel IV p. 154)

1913: Breda 478. Breda groot: 832

1914: Breda 489. Breda groot 912

1915: Breda 509. Breda groot 950

1916: Breda 521. Breda groot 970

1917: Breda 585.  Breda groot 1102

1918: Breda 680. Breda groot 1175

1919: Breda 529. Breda groot 964

1920: Breda 503. Breda groot 866

1921: Breda 444. Breda groot 829

1922: Breda 517. Breda groot 962

1923: Breda 427. Breda groot 795